De troost van een winterreis

Het is wonderlijk en bevreemdend hoe het simpele woordje ‘landschap’ zomaar opeens van karakter kan veranderen. Een denkbeeldig landschap in welk zich een zomerse vakantiereis  zou afspelen is een heel ander landschap dan dat in welk een winterreis zou plaatsvinden. Toch is er hier niet aangegeven over welk landschap het zou gaan of in welk land de reizen zouden plaatsvinden. De informatie is summier en beperkt tot slechts de aanduiding van een seizoen. Het verschil tussen beide betekenissen heeft niet alleen met de stand van de zon of bladeren aan de bomen te maken. Beide landschappen bevinden zich enkel in ons hoofd, in onze fantasie. Het zijn producten van onze geest. Waarschijnlijk zijn ze samengesteld uit fragmenten en stukjes van alle landschappen in zomer of in winter die we ooit hebben gezien, in het echt op reis, in een film of op een schilderij. Beschrijvingen uit romans, oude familiefoto’s of tekstflarden uit liedjes. Het zullen dan ook wel voornamelijk de bijpassende gevoelens en emoties zijn die zich opnieuw in ons hoofd nestelen als we bijvoorbeeld moeten denken aan een winters landschap. We roepen in ons beeldend geheugen dat landschap op waarin al onze ervaringen door de jaren heen een plaats en een plek hebben verworven.

Het is een fascinerende aha-erlebnis om af en toe in eigen persoon weer eens zo’n reis te ondergaan. Om de opgeslagen beelden te verifiëren, het koude gemoed te meten, de breekbaarheid van de stilte te toetsen. Vanaf de tijd van de oude diligence die zich hotsend en stotend in een ongemakkelijk snel voortschokkende rit van plaats naar plaats bewoog, hebben wij als mensen  een plaatjesboek opgebouwd in ons collectief geheugen welk wij telkenmale aan elkaar en aan de volgende generatie doorgeven en overleveren. Laag op laag stapelen wij gevoelens en associaties op elkaar tot ze als een reuzenspekkoek kunnen genuttigd worden. In die grote hap van romantiek vermengen alle ingrediënten zich met elkaar tot één verslavende lekkernij. Maar let op: er hebben zich naast elkaar twee taarten gevormd, twee verschillende werelden. De ene is gekneed uit de gezelligheid van het winterwonderland, de spanning van de elfstedentocht, het krassen van de schaatsen, de gezonde rode wangen, de bedwelmende geur van de glühwein. Het is het land van de hoge kinderstemmetjes, de gulle lach, de warme oliebollen, de versierde winkeletalages en het betoverende licht van de kaarsen.

In de andere wereld heerst er stilte en rust in het bevroren landschap. Daar wordt de winter aangeduid als een tijd van stilstand. Roerloos ligt het bevroren land over de aarde uitgelegd en biedt een aanblik die – zo lijkt het wel – nooit meer zal veranderen. De hele wereld is tot één beeld teruggebracht waarin geen voortgang bestaat.
En is dat ook niet zo van binnen in ons zelf als we daar zijn? Hebben wij dan nog het vermogen om weer in beweging te komen, hebben wij nog kracht om iets te willen? Oud en vertraagd zijn onze bewegingen, alsook onze gedachten. Al die plannen die nog gerealiseerd dienen te worden, al die liefdes die beleefd moeten worden, heel die strijd die nog gestreden moet worden, waar zijn ze nou?
Het leven is gereduceerd tot een stilstaande foto van een filmscène. We weten dat de voortgang van het leven door moet lopen, maar zien dat even niet gebeuren. Zijn we te traag in onze beweging, bijna onherkenbaar voor onszelf, of zijn wij te traag in onze waarneming?

Voor iemand die in dit welbepaald gevoel wil blijven hangen – om er meer van te genieten of om er volledig in onder te gaan – is het winterlandschap een ideaal decor. De gevoelde treurigheid in het hart, de snijdende pijn van de weemoed, het hartstochtelijk verlangen naar een onmogelijke liefde of de zware smart van een verlies kunnen beter gesmaakt en ervaren worden in de witheid van het wintertheater. Net zoals de grillige silhouetten van de kale bomen in de lucht, zullen onze dramatische gevoelens zwart, hevig en grillig afsteken tegen de alledaagsheid van het leven. De pure romanticus leeft pas op in de winter, waarin hij zich wentelen kan in zijn eigen smarten en zijn doodsverlangen. De winter zorgt voor een renaissance, een wedergeboorte, niet van onszelf maar van onze opgespaarde gevoelens.

Niemand heeft de winter ooit beter begrepen dan de Oostenrijkse componist Franz Schubert (Wenen 1797-1828). Ieder rechtgeaard Europeaan heeft wel eens gehoord over Schuberts beroemde Winterreise, een liederencyclus bestaande uit 24 liederen. De meeste mensen zullen nog in het voornemen leven ooit eens echt te gaan zitten voor deze liederenkrans of een concert ervan te bezoeken. Toch weet deze Winterreise al bijna twee eeuwen grote groepen mensen te fascineren. De werking van dit muzikale verhaal over verlies en onthechting is zo sterk, dat vele luisteraars het gevoel krijgen dat deze liederen speciaal voor hen geschreven zijn. Er gaat zelfs een verhaal dat na een optreden van de Duitse bariton Thomas Quasthoff, die de Winterreise vertolkte, er na afloop van het concert aanvankelijk helemaal geen applaus klonk. Ook de zanger zelf moest nog helemaal terugkomen van zijn zojuist gezongen reis. Men moet daarbij bedenken dat Quasthoff een softenonkind is met misvormde ledematen, hetgeen bij een dergelijke liederencyclus nog aangrijpender was. Het publiek bleef nog heel lang in de zaal zitten. Men kon gewoon niet weggaan.

Naarmate Schubert rijpte als componist werd hij een bruggenbouwer tussen de gestructureerde klassieken en de nieuwe gevoelsbeweging van zijn tijd, de Romantiek. De bindende factor in de Romantiek was een zoeken naar hogere spirituele schoonheid, in alle bestaande kunstvormen. Hoogtepunt hierin werd gevormd door de Weltschmerzromantik, een vorm van smart die voortvloeit uit het bewustzijn van de ontoereikendheid van de realiteit in vergelijking met de behoeften van het innerlijk leven. Schubert heeft de Romantiek voor het eerst gericht op de afzonderlijke mens, het individu met eigen gevoelens en niet slechts op de grote collectieve emoties, zoals die daarvoor onder anderen bij Beethoven waren uitgewerkt. Franz Schubert ging hier steeds dieper en dieper in door en zeker toen hij zijn eigen dood (door ziekte) onder ogen zag, onderging zijn gemoedsleven een verruiming. De tot dan toe zo liefelijke weemoed werd oprechte smart, een meesterlijke uitdrukking van grote menselijke eenzaamheid.
Het blijft Schuberts historische betekenis dat hij de grondslag legde voor de inkeer, de zelfbezinning en de synthese van tekst en melodie, van melodie en instrumentale omlijsting, die tot vandaag de grootheid van de Duitse romantische liedkunst blijven uitmaken. In totaal componeerde Schubert meer dan 600 liederen.

Schubert zelf heeft van zijn eigen werk als bruggenbouwer niet mogen genieten. Buiten zijn vaste vriendengroep was hij erg onbekend. Hij stierf amper 31 jaar jong. De verwaarlozing van zijn meesterschap die Schubert na zijn dood nog gedurende lange tijd in de 19e eeuw onderging lijkt ons thans onbegrijpelijk. Tijdens zijn leven werd geen van zijn symfonieën uitgevoerd en pas vijftig jaar na zijn dood werd de eerste daarvan gepubliceerd. Achteraf kan gesteld worden dat Schubert het Duitse romantische lied definitief gestalte heeft gegeven. Muziek die op intieme toon de diepere zin van de tekst intens tot uitdrukking brengt.

De vierentwintig zwaarmoedige gedichten van de Winterreise zijn van de hand van de nu lang vergeten Wilhelm Müller (1794-1827). Zij maakten diepe indruk op jonge Schubert tijdens de laatste jaren van zijn leven. Müller heeft Schuberts muzikale interpretatie van zijn gedichten nooit mogen horen; ook hij stierf heel jong, slechts 34 jaar oud. De Goden roepen hun meest begaafde kinderen gauw tot zich terug.
Misschien is het wel door de aanwezigheid en de werking van de zware symboliek in de teksten van Müller dat de Winterreise nog steeds zo aangrijpend tot ons kan spreken. Natuurlijk is er die overmeesterlijke muziek, die onze geest omfloerst en bedwelmt en die ons willoos maakt, zo willoos als het winters landschap zelf. Het is muziek die werkt als een deeltjesversneller: het haalt alles weg tot alleen het zuiverste van het zuiverste overblijft en geeft daar dan heel veel van. Zoveel dat men erin kan verdrinken. Zoals de figuur van de zwerver in Schuberts andere beroemde en nog onheilszwangerder liedercyclus Die Schöne Müllerin. Daarin verdrinkt de Wanderer in hetzelfde beekje dat hij aan het begin van de liedercyclus nog zo liefelijk bezongen had.
Zelfspot, dat is wat de ware romanticus kenmerkt, wil hij boven zijn eigen bedenksels uitstijgen. Dat is de metafoor waardoor het meest dramatische verhaal de tijd altijd kan overleven. Net zoals Schubert als componist in zijn zo zware muziek dan plots weer even alles lichtvoetig kan maken en zijn zwaarmoedigheid verheldert tot een universeel gevoel. Ondraaglijk mooi, Schubert is unerträglich schön.

Andermaal  reis ik door een besneeuwd landschap ergens in Europa op zoek om mooie foto’s te maken en denk dat het inderdaad goed is alles weer eens tot klaarheid te brengen. Ik beeld me in dat ik de persoon ben waarover de Winterreise handelt. Ik heb gelukkig geen sluimerend doodsverlangen zoals de ik-figuur in de Winterreise, geen kwelling of verdriet om een mislukte liefde. Wel herken ik het gevoel dat Schubert oproept en ons meegeeft, het is van alle tijden; het hoort bij de complexheid van het leven. Maar eerder is Schubert voor mij een soort gevoelsgenoot, een medereiziger.
Wat mij zo aanspreekt in de tekst van Winterreise is de voortdurende dwang die op de ik-figuur wordt uitgeoefend en de daaraan gekoppelde eigen keuze van dat ik. Er wordt voor hem gekozen, maar net daarvoor kiest hij nog even zelf. Ik schrijf hij omdat de tekst een hij suggereert, maar het gevoel is universeel en grootmenselijk. In het openingslied – Gute Nacht – bijvoorbeeld staat: Waarom zou ik langer blijven/ tot men mij hier verdrijft?  Wie die men is wordt niet verklaard, maar de ik-figuur neemt dus zelf een besluit te vertrekken, al is het onder een abstracte dwang. Of er staat: De liefde houdt van zwerven/ God heeft haar zo gemaakt. Dus weer die tegenstelling in het gegeven welk de ik-figuur is overkomen. Vervolgens sluipt de ik-figuur zachtjes en stiekem weg in de nacht, terwijl hij de deur geluidloos sluit om niet te storen in de slaap, maar schrijft wel in het voorbijgaan op die deur: Gute Nacht, zodat jij kan zien dat ik aan je heb gedacht. Kijk, dat is nou een van de mooiste beschrijvingen van de menselijke complexiteit die ik ken; dat is pas een echte natrap.

Grote mooie symbolen worden vervolgens opgevoerd om ons het zware leed van onze protagonist te verduidelijken: de weerhaan boven op haar huis die hem uitlacht, zijn bevroren tranen, de lindeboom buiten de poort van de stad die tot hem spreekt, de beek die is bevroren, het dwaallicht dat hem in de diepte lokt, zijn moeheid die door het zwerven tot nu onopgemerkt bleef. En dan plots is er weer die lichtheid in een lied over de post! Waarom, zo vraagt hij aan zijn hart, ga je zo tekeer, spring je zo op als de posthoorn klinkt, want voor jou komt er immers geen brief. Omdat de post uit de stad komt, is het antwoord, en in de stad had ik een geliefde...

Dat is echt ontroerende symboliek, die ik zelf al reizend ook terugvind in het omliggende land. Want mijn reis gaat verder en al is het warm in de auto en speelt de muziek zo mooi, ik word toch aangegrepen door een soort kille vereenzelviging met de persona dramatica. Er hangt een vogel in de lucht, ginder ligt een eenzaam huis, daar ergens staat een ver kasteel. De dorpen waar ik doorheen kom zijn stil en verlaten, nergens is een mens te zien.

Dan vraagt de dichter zich af: Waarom mijd ik toch die wegen/ waar andere zwervers gaan/ zoek ik verborgen steegjes/ ik heb toch niets misdaan? Hier confronteert de ik-figuur zichzelf bewust met de eigen situatie, weet dat hij zichzelf emoties aanwrijft die niet ten volle waar zijn maar waar hij graag in ondergaat. Toch gaat hij in zijn zelfmedelijden nog verder: een kerkhof waar hij langs komt aanschouwt hij als een herberg waar alle kamers reeds zijn bezet en naar dat wat zijn hart hem vervolgens zegt wil hij pertinent niet luisteren. Plots zingt hij dan: Will kein Gott auf Erden sein/ sind wir selber Götter. Hier is geen sprake meer van zelfmededogen, maar juist van overmoed die voortkomt uit deernis met het eigen lot. Het klinkt bijna als een wraak op een teveel aan emoties. Maar neen, zo hoogmoedig is hij niet, want de cyclus eindigt met het lied De Draaiorgelman, waarin gezongen wordt over het draaien en draaien en blijven draaien van de orgelman, die eigenlijk niemand graag hoort en wiens schoteltje dan ook leeg blijft. Hij speelt immers een wijsje dat we niet willen horen, het wijsje van leven en dood. Dus toch weer die zelfspot!

Ik lach hardop in de auto en zie, daar voor mij aan de bosrand! Een snelle vlucht van een groep staartmezen. Ze hangen aan de sparrentakken, ze springen op en neer. Ze zijn wel met z’n zessen. Bang voor niets of niemand, ook niet voor mij. Ik stop de auto en stap uit. Wandel naar ze toe. Ze vliegen op en dwarrelen weer neer, ze zijn al ginder en dan weer daar. Ze kijken nieuwsgierig naar wie ik ben, zo heel alleen onderweg in dit ondergesneeuwde landschap. Ben ik een vreemdeling? Een Wanderer? De winter kan zo kristalhelder zijn, een winterreis zo heel veel lerend. Ik knasper terug naar de auto en vervolg mijn reis. 
Terwijl ik door dit land verder trek, een landschap dat tegelijk zo vertrouwd en zo vervreemdend aandoet, herhaal ik de woorden uit het dagboek van Schubert: ‘Verdriet scherpt het verstand en sterkt het gemoed, terwijl vreugde zich zelden om het verstand bekommert en het gemoed alleen maar week maakt.’

De avond valt en ik moet me haasten want ik wil niet door donkerte overvallen worden. Dat geeft maar onrust die knaagt aan de pas gevonden kalmte. Ik weet het nu: gedachten dienen zich in het duidelijke winterlicht te vormen; in de avond dient men aan tafel te zitten bij een gemoedelijke keuken. Ik ben blij als het buiten opnieuw begint te sneeuwen want de concrete aanwezigheid van de sneeuwvlokken doet de melancholie van de schemering teniet.    
De schoonheid van de winter is altijddurend, perpetueel; en daardoor altijd waarheid, onafgebroken in tijdloze stilte.

Michel Lafaille
Klik op de afbeeldingen voor een vergroting
   
© 2006-2011 Copyright Michel Lafaille - alle rechten voorbehouden