Krachtoorden in Val Müstair

Rust, bezinning en geluk

Terwijl ik ’s morgens in alle vroegte sta te kijken naar het stille dal van Val Müstair dat tussen de ruige bergen ligt kan ik de woorden die de vrouw gisteren sprak opnieuw in mijn hoofd horen.
„Als je morgen vertrekt,” zei ze, „rij dan nog even naar boven, naar het dorpje Lü, dat duurt maar tien minuten. Als je er bent dan kun je een mooie herinnering meenemen want daar zie je het mooiste uitzicht over onze vallei. Dat is een mooi afscheid. Je bent er op 1920 meter hoogte en de weg loopt dood. Het is een plek waar ik ook graag kom,” besloot ze, „om eens na te denken en te genieten”.
Ze heette Annelise en werkt voor het toeristenbureau. We zaten gisterochtend samen met Kaffee und Kuchen in het typisch Zwitsers ingerichte restaurant van hotel Tschierv. Dat is Reto-Romaans en betekent Hirschen in het Duits of herten in het Nederlands. Ik wist toen nog niet wat voor moois me allemaal te wachten stond.
Ik was naar het dorp Müstair in het kanton Graubünden gekomen om het Benedictijnenklooster St. Johann te bezoeken, een van de zeven Zwitserse monumenten die op de Werelderfgoedlijst staan van Unesco. De orde der benedictijnen en benedictinessen is een kloosterorde die de regel van Sint-Benedictus (480 - 540 n. Chr.) volgt. Het is vooral hun stille eenvoud die frappeert, de aandacht voor de dingen, de kalme schoonheid, de zorg en de orde.
Hun dagindeling bestaat uit contemplatie en arbeid (ora et labora), iets wat mij erg aanspreekt sinds ik het boek ‘Benedictijnse spiritualiteit voor het dagelijkse leven’ van Wil Derkse heb gelezen. Hij schrijft over de moeilijke kunst van het beginnen aan iets, de nog moeilijker kunst van het ophouden en de moeilijkste kunst van het vinden van de juiste houding tussen beginnen en ophouden waardoor je nooit meer dat gevoel van ‘drukte’ hebt. Deze regels zouden in onze rumoerige tijd best meer aandacht verdienen, dacht ik.
Als niet-gelovige met een diep religieus gevoel was ik uitermate in de ban van een dergelijke levenshouding. Zwijgend moet de mens tegenover zichzelf en tegenover de dingen staan. Het stil zijn en het zwijgen maken het ons mogelijk om onze aandacht los te maken uit het dagelijks leven waarin genieting zo’n voorname plaats inneemt. Waar kan men zich beter oefenen in deze levenswijsheid dan in het imposante decor van de bergen, die al zo lang staan te zwijgen en alleen maar bestaan.

Maar dat vertelde ik haar allemaal niet. Neen, ik vertelde over de goede reis die ik had vanuit Sankt Gallen hiernaartoe, over het prachtige landschap dat ik onderweg zag en de onbeschrijfelijke herfstkleuren. Over de koffiestop boven op de Flüelapass, op 2389 meter hoogte en de tientallen foto’s die ik onderweg had gemaakt. Om hier te komen was ik dwars door het oudste nationale park van Midden-Europa en de Alpen gereden, bekend vanwege zijn rijkdom aan alpendieren en alpenplanten in een vrijwel ongerept natuurlandschap. Met een beetje geluk en vooral veel geduld zijn daar edelherten, gemzen, steenbokken, steenadelaars en zelfs gieren te zien, maar dat is weer een heel ander verhaal.
Toen wij zo enkele minuten hadden gekeuveld en ik mijn enthousiasme had getoond over het aanstaande bezoek aan het klooster, vroeg ik haar of er veel toeristen kwamen. Zij antwoordde dat de plek best meer belangstelling verdiende en voegde er onverwachts aan toe dat er naast de bezoekers die kwamen uit religieuze overwegingen of om de oude fresco’s te bewonderen, ook mensen kwamen omdat het zo’n heel bijzondere plek is, een Kraftorte.
Ik keek verbaasd op, want ook gisteren in Sankt Gallen werd in verband met het klooster aldaar en de wereldvermaarde Stiftsbibliotheek over Orte der Kraft gesproken.
Krachtplaatsen zijn heilige plaatsen waar van nature veel krachtige energie aanwezig is. Onze voorouders en verre voorouders hadden dit reeds in de gaten en ze dachten dat dit de plaatsen waren waar goden vertoefden. Ze probeerden daar dan ook in contact te treden met de goden door er heiligdommen te bouwen om die goden te vereren en er voor hen te offeren. De bekendste heiligdommen op zulke krachtplaatsen zijn Stonehenge en Avebury in Engeland en de Externsteine in Duitsland. Maar er zijn in heel Europa zulke plekken te vinden. Met de kerstening werden de meeste krachtplaatsen in gebruik genomen om er een kerk of kathedraal op te bouwen. Dit gaf meteen een heel andere lading aan mijn kennismaking met dit klooster.
Buiten gekomen liepen we langs een pleintje met een mysterieuze constructie van natuursteen in de vorm van een brede lage trap, versierd met kleurige wimpels. Daarnaast twee grote borden met uitleg over de Stundenweg, von Kloster zu Kloster  oftewel in het Italiaans de Senda Clastras. Ik keek haar verbaasd aan. Ze vertelde mij dat deze weg in samenwerking met de Italiaanse overheden heraangelegd is als een soortement pelgrimspad van het St Johannklooster in Zwitserland naar het monastero San Giovanni in Italië. Vroeger was dit de ezelsweg waarlangs de reizigers zich verplaatsten en de goederen werden getransporteerd, nu is het een bijna meditatieve wandeling van enkele uren langs vierentwintig borden met teksten en beelden die ons erop wijzen dat er naast onze tegenwoordige tijd andere werelden en tijden zijn die vertellen over het ritme van de natuur, de gebeurtenissen van de geschiedenis of de klank van de taal. Zaken die onze blik verruimen en de wandelaar van de Stundenweg op nieuwe gedachten brengen. Wat een heerlijke gedachte.
Bij het klooster aangekomen nam ze afscheid. „Vergeet niet als je morgen vertrekt even naar boven te gaan om te kijken. Arevair”, zei ze nog en zwaaide.

In de museumwinkel van het klooster wachtte ik op Elke die mij in het opengestelde deel van het klooster zou rondleiden. De verblijven van de twaalf Benedictijnenzusters die nog in het klooster leven en er hun plichten vervullen waren natuurlijk afgesloten. Zij zoeken niet het grote contact met de buitenwereld, de regels van Benedictus indachtig.
Ik keek wat in de boeken die over allerlei religieuze aspecten handelen en het viel mij op hoe ook verschillende ecologische onderwerpen hier onder de aandacht werden gebracht, alsof ze wilden duidelijk maken dat geloof en natuur dicht bij elkaar staan. Een kleurrijke brochure vertelde over het innovatief project Biosfera, waarin het Nationalpark als een kans wordt gegrepen om de levensruimte van de bewoners te verbeteren, arbeidsplaatsen te creëren en de natuurwaarden te behouden. Als resultaat werden kostelijke specialiteiten zoals kazen, confituren, koeken en diverse broodsoorten aangeprezen. Er moest nog meer zijn, zag ik, zoals een kinderprogramma en een themapad langs de rivier Rom maar mijn gids riep me en ik volgde haar gehoorzaam. Straks zou ik hier terugkomen om de Karolingische knookfluiten te bewonderen, die te koop werden aangeboden, gesneden uit het scheenbeen van een schaap. Natuurlijk waren deze nagemaakt maar de twee echte die hier gevonden zijn tijdens opgravingen dateerden uit de elfde eeuw. De fluit is immers het oudste instrument van de mens, een communicatiemiddel par excellence. Bij mijn weten is de aller oudste fluit gevonden in de grotten van Geissenklösterle in Duitsland, gesneden uit een vleugelbeentje van een zwaan. Maar ook dat is een heel ander verhaal.

Elke is hoofd communicatie en dat mag gezegd worden want zij praatte bijna anderhalf uur lang op een boeiende en ontspannen manier over de geschiedenis van het klooster, verhaalde kleine anekdotes en wees me op tal van bijzonderheden. Niet verwonderlijk met een klooster dat in het jaar 780 werd gesticht, naar verluidt door Karel de Grote. Die kwam vanuit het Italiaanse Tirol via de Umbraillpass naar beneden en ontsnapte met Gods hulp aan de gevaren van de bergen. Daarom stichtte hij als dank een klooster, strategisch gelegen aan de grens van zijn rijk. Over het verhaal bestaat geen zekerheid, over de ouderdom wel, want de balken uit het oudste deel van de kerk zijn gedateerd in het jaar 775.
Geen vraag mijnerzijds ging haar te ver, spontaan antwoordde zij met nog meer informatie. Ach, ik zal u hiervan geen verslag doen want op papier verwordt zoiets al snel tot een droge brij. Laat ik wel vertellen dat er bijzonder mooie dingen te zien zijn in het klooster, zowel van hemelse als van aardse schoonheid. Natuurlijk is de hoofdattractie de oude kerk met al die prachtig bewaard gebleven fresco’s. Pas in 1951werden ze ontdekt, nadat de pleisterlaag die er vroeger op was aangebracht, werd verwijderd. Te voorschijn kwamen de romaanse fresco’s die stammen uit 1150 tot 1170 en de Karolingische fresco's uit ongeveer 800 na Christus. Dat zijn de belangrijkste schilderwerken uit die tijd. Ter vergelijking, de beroemde fresco’s van Giotto in de Scrovegni Kapel in Padua, waarin het befaamde blauw van Giotto is verwerkt, zijn door hem geschilderd tussen 1304 en 1306.
Kortom gezegd het zijn de oudste beeldende vertellingen van de mens en daarom zijn ze terecht gekomen op de zo fel begeerde Unesco Werelderfgoedlijst, zodat niemand er meer mag aankomen. Behalve wij als toeristen dan, want hier is geen beveiliging of zijn geen glazen wanden te zien. De kleurige schilderingen kunnen tot in detail bekeken en gefotografeerd worden. Men kan er rustig naar kijken, zolang men wil.
Mooi zijn ook de diverse kloostertuinen. Midden in het complex, omgeven door hoge muren van de gebouwen ligt een sfeervolle kruidentuin die op een uiterst strakke manier is gemoderniseerd. Niets overbodigs of romantisch. Harde materialen, rechte kruidenbedden en een stoere metalen waterbak als symbool van het leven.
Hoe anders is de grote groentetuin waarin een zuster gehurkt op de knieën vlijtig aan het werk was. Eigenlijk niet toegankelijk voor het publiek mocht ik er toch even enkele foto’s maken. De stilte die in de tuin hing was verpletterend. Een herfstige lindeboom stond majesteitelijk toe te kijken en beheerste de ruimte. Bij de ingang van het nonnenklooster, aan de andere kant van de gebouwen, waar men zich moet melden om gebruik te maken van de Fremdenzimmer is een kleine voortuin aangelegd waarin twee lijsterbesbomen staan als een warm welkom.  
En dan is er het kerkhof aan de oostzijde van het complex, waar ook de dorpelingen nog steeds begraven worden. Iets verder afgelegen onderaan de kloostermuur die het gehele terrein omsluit, liggen de nonnetjes begraven onder gekrulde smeedijzeren kruisen. Hier leek de tijd voor altijd opgeheven en ook hier stond een lindeboom te waken over de graven. Of was hij misschien aangeplant voor de lindehoning of voor bloesemthee en had hij daardoor een milder karakter?   

Ik draaide me resoluut om en liep terug langs de muur van de begraafplaats en passeerde een grote hooischuur met een open gebinte van ambachtelijk bewerkte balken. Van zulke prachtige beelden zou iedereen sprakeloos worden. Waarom zijn die toch niet in onze steden of dorpen te vinden? Ginder ligt het pleintje dat ik al vanuit de verte herkende en me een gevoel van thuiskomen gaf terwijl ik het gek genoeg nog maar een keertje gezien had. Mijn blik werd plots getrokken door een geel geschilderde pick-up auto die dwars op het plein geparkeerd stond. Gebiologeerd staarde ik in de open achterbak. Daarin lag een dode steenbok, met zijn strakke grijsbruine harenvacht, zijn gedraaide kromme horens en met zijn ogen nog een klein beetje geopend alsof hij rustig de voorbijgangers in de gaten hield. Die indruk van serene rust werd nog versterkt door de groene takken van spar en lariksboom die als versieringen rond hem gedrapeerd lagen. Op zijn schouder hing een takje met rode bessen en toen ik naderbij trad zag ik dat ook in zijn bek enkele takjes groen en een verse edelweiss gestoken waren. Ik kon nergens anders meer naar kijken en bleef heel stil staan. De dood was zo vreemd dichtbij.
„Dat is uit respect voor het leven en de dood”, zei een mevrouw. Ik herkende de eigenaresse van het hotel die me daarstraks de koffie en de kastanjetaart had geserveerd. „Jager en wild, dat is een geheel, u moet het zien als een eerbetoon aan het leven”, sprak ze zacht. „Niet dat ik van de jacht hou, ging ze verder, maar het wild moet wel afgeschoten worden anders is er teveel en is de natuurlijke balans verdwenen. Daarom moet het” besloot ze verontschuldigend en haar sten klonk ietwat droevig.
Een man was dichterbij gekomen en begon aan de horens van het dier te meten en te tellen waarna hij hardop sprak: „Vier jaren”.
„Te jong, jammer” zei de vrouw en liep het hotel weer binnen. Ik volgde haar na enkele minuten omdat er meer en meer mensen rond de wagen kwamen staan, elkaar aanstotend en wijzend naar het dode dier. Er werd amper gefluisterd.
Op de eenvoudige hotelkamer was het lekker warm en gezellig door de houten inrichting. Ik had nog een uurtje voordat het restaurant open zou gaan waar mij een typisch streekschotel was beloofd. Ik rommelde wat en zette de digitale foto’s van vandaag op de laptop. Neen, voor lezen was ik niet in de stemming en een televisietoestel was er niet op de kamer. Ik zag alleen een ietwat ouderwets radiokastje staan en bracht een tijdje door met het luisteren naar vreemde talen. Toen ik naar buiten keek, zag ik dat mijn kamer uitkeek op het dorpspleintje. De pick-up auto was verdwenen en de duisternis begon te vallen.
De maaltijd geurde naar wijn en kruiden. De hoteleigenaar kwam aan de tafel staan om een praatje te maken en natuurlijk ging het gesprek over het wild, over de wederkerende beweging van de natuur en de oneindige kringloop van leven en dood.
„Bent u hier vanwege het klooster of voor de natuur?” vroeg hij en ik antwoordde dat men hier alleen maar voor het samenspel van dood, geloof en leven kon zijn. Om ervan te leren zei ik nog onderdanig.
En zo komt het dat ik hier vanochtend als afscheid sta te kijken naar de herfstige vallei, op aanraden van de vrouw die ik gisterochtend sprak.
Vanmorgen bij het ontbijt at ik voor het eerst Birnenbrot, met vruchten uit de vallei, en voelde hoe ik vol werd van energie. Een Kraftort waardig.

Michel Lafaille

Klik op de afbeeldingen voor een vergroting
   
© 2006-2011 Copyright Michel Lafaille - alle rechten voorbehouden