Op zoek naar het verloren geluk

Rousseau achterna

Zou het mogelijk zijn? Mijn gedachten bleven voortdurend rondmalen. Zou het kunnen? De weg was lang en gaf veel tijd om na te denken. Dit was zelfs niet meer nadenken, dit was hopen, dit was smachten.
Vanaf Straatsburg was ik Frankrijk ingedoken om aan de saaie weg naar Basel te ontsnappen. Maar ook Frankrijk bracht geen rust.
Bij Koeningsbourg dan maar weer even stoppen, uit de auto, koffie en taartjes. Dat zou hij nooit gedaan hebben. Neen, dus meteen smaakte het niet meer, het gaf geen rust. Snel weer verder.
Ah eindelijk, Mullhouse, hier opzij, dieper Frankrijk in, want ik besloot niet via Basel en Zwitserland te rijden, maar via de kleinst mogelijk weggetjes en dan Frankrijk te verlaten, als een vluchteling, een refugié. Via een smal dal rijd ik nu tussen de twee landen. Ik beeld me in dat hier de verstotenen schuilen, de thuislozen, de ontheemden. Die ’s nachts oversteken. Smokkelaars, rovers, stropers.
Dan, daar, een kleine grenspost. Stoppen. Toch. Een uniform. Een nog jonge man, hij gebaart. Ik moet opzij langs de weg en geef mijn paspoort ter controle. Neen, niets aan te geven, zeg ik. Geen opruiende geschriften, denk ik. Geen teksten waar ik om vervolgd zou kunnen worden, het land uitgezet. Maar dat zeg ik niet, hij zou me niet begrijpen.
Hij geeft mijn paspoort terug en gebiedt dat ik moet verder rijden, alsof ik nu opeens in de weg sta. Zwitserland binnen. Dan Le Locle, ik rij bijna fout. La Chaux-de-Fonds. Geen tijd. Verder, via de snelweg naar Neuchâtel en daar richting Le Landeron. Hier afslaan, daar ligt het oude dorp prachtig gedrapeerd in het landschap. Zou hij het ook zo gezien hebben. Vast wel. Kijk die zon erop. Nog een paar kilometer. De rotonde ja, dan links, door tot Erlach. Naar de haven, daar de Heidenweg en de parkeerplaats. Stop. Motor uit, deur open.
Het is stil hier en dat overvalt me. Het geluid van de autoreis valt weg en schept stilte, als een leegte. Maar ik wil verder, ik ben voorbereid en begin aan mijn tocht. Rousseau achterna. Voor me ligt het Sankt Petersinsel en ik kan naar het eiland, want in de loop der tijd is het hier dicht geslibd. De Zwitsers hebben de spiegel van het Jurawater verlaagd, tot drie keer toe. Zo is deze landweg ontstaan, die er indertijd nog niet was. Toen hij hier aankwam, Rousseau. Juist, de filosoof, de schrijver Jean Jacques Rousseau. We schrijven 1764 en toen moet hij de roeiboot genomen hebben om alles achter zich te laten en zich terug te trekken uit de wereld die hem verstoten had. Ik huur een fiets en ga hem achterna.

Hij had hier graag willen blijven. Voor altijd. Maar het lot voerde hem weer weg, naar Engeland en verder. Later schrijft hij over het eiland in zijn beroemde Overpeinzingen van een eenzame wandelaar (1782). Daar staat in de Vijfde Wandeling: ‘Van alle plaatsen waar ik heb gewoond, heeft er niet één mij zo werkelijk gelukkig gemaakt en een zo zoet heimwee bij mij achtergelaten als het Petersinsel in het Bielermeer...’.
Die simpele zin veroorzaakt vandaag nog steeds een ware pelgrimage, want wie wil er nou niet naar de plek waar een zo diepdenkend mens over gezegd heeft dat hij er het gelukkigst is geweest. Zou dat geluk er nog te vinden zijn, te proeven in de rust en de stilte van het eiland, in het grote huis dat er nog staat? Zou het ook op ons kunnen neerdalen?
Dat huis is nu gedeeltelijk boerderij net als weleer, waar de rentmeester woonde met zijn gezin en bedienden, met de hoenderhof, het duivenhok en de visvijvers. Omringd door hellingen vol wijnranken die in de blakende zon staan te rijpen. Verderop liggen de glooiende graanakkers. Maar dat grote huis, eenvoudig en aangenaam van architectuur, met zijn witgeschilderde muren en rode dakpannetjes, met het spitse klokkentorentje dat de mensen die op het land werkten ’s avonds terug riep, heeft nog een tweede functie. Het heeft een fraai terras, eigenlijk wel twee, waar de moderne bezoekers en de hotelgasten kunnen eten en drinken. Men zit buiten bij het paviljoen of op de stenen binnenkoer onder de witte parasols en geniet van eerlijke streekgerechten en een koele frisse landwijn. Verse vis uit het meer, kloostersoep met linzen, rundvlees van de boerderij, of Mont Vully en Mont Soleil kazen met vruchtenbroden, worsten en salades.
Het moet hier altijd al een door god bekeken en goed bevonden plek geweest zijn, want daar dankt het eiland zijn naam aan. De historische muren van dit gebouw behoorden namelijk oorspronkelijk aan een Cluniacenzer klooster toe, in 1127 gesticht. Hun patroon was de Heilige Petrus.
Men kan zich inbeelden dat hier, zoals Rousseau het zelf noteerde, de bewoners van de nabijgelegen oevers tijdens de wijnoogst elke zondag samenkwamen om te dansen. Traditie, folklore, eeuwigheid. Die oprechte verbintenis met de plaats en het moment, overvalt nu ook duidelijk alle aanwezige bezoekers. Vreemde talen, mensen uit verre landen, alles zit hier bij elkaar te genieten, saamhorig door deze plek die tot voor kort nog niemand kende. Als pelgrims die wachten op het geluk dat hun ten deel zal vallen.
Ik geniet van het eten en het gezelschap, maar mijn ogen dwalen naar de trap, alsof hij ieder moment naar beneden kan komen, van zijn kamer waar hij zat te schrijven, om ook om een bord soep te vragen. Telkens als er iemand afdaalt, duidelijk allemaal hotelgasten, bevangt me toch een lichte vorm van jalousie, alsof zij dichter bij Rousseau geraakt zijn dan ik, omdat ze vanavond in de kamer naast de zijne zullen slapen. Die kamer is ingericht als een relict, ietwat authentiek, met een bed en twee stoelen, aan de muur enkele kopieën van handgeschreven teksten. Ik draai me naar het raam en kijk naar buiten. Zo ongeveer zal het geweest zijn. Ik draai terug en kijk in de spiegel. Dat ben ik, maar zijn woorden zitten wel in mijn hoofd en ik herhaal ze, als een mantra: ‘Van alle plaatsen waar ik heb gewoond, heeft er niet één mij zo werkelijk gelukkig gemaakt...’. En daar sta ik nu, midden in dat geluk van Rousseau, die er zelf maar zo kort van heeft genoten.
Waarom is hij weggegaan, waarom moest hij naar Engeland? Naar Hume die hem niet begreep en met wie hij ruzie kreeg. Dan weer naar Parijs, ondertussen nog in Lyon, en in de Dauphiné. Ook daar overal ruzie en intriges. Hij overwoog naar Griekenland, Cyprus of Minorca te verhuizen. Maar nooit meer kwam hij hier op zijn kleine eiland in het meer van Biel/Bienne terug, waar hij zo gelukkig was geweest. Hoe kan een mens zo express zijn bestemming ontlopen? Hij dacht na, hij filosofeerde, hij schreef en hij probeerde de maatschappij te overtuigen van zijn nieuwe, soms zelfs revolutionaire ideeën. Hij ging tegen kerk en staat in, maakte vijanden, verliet zijn vrienden die hem niet trouw genoeg waren. Hij verstootte zijn kinderen, omdat hij zichzelf geen goede vader achtte. Hij was een van de grondleggers van de romantiek zoals wij die nu nog kennen, verheerlijkte de natuur en haar waarden, idealiseerde de mensheid en de sociale orde. Hij leefde met een analfabete wasvrouw, Voltaire haatte hem, Lodewijk Frans van Bourbon beschermde hem. Maar nooit kon hij meer terug naar die plek waarmee hij kennis had gemaakt en waarvan hij wist dat het geluk er voor hem huisde. Nu ligt hij bijgezet in het Pantheon als een Frans idool en ik sta hier, in dit kleine kamertje naast het bed waar hij in sliep. Weer buiten word ik ondergedompeld in een pastorale rust.
‘Wat was dat voor geluk en waardoor genoot ik er zo van?’, zo vraagt hij zich af in de vijfde wandeling. ‘Als het meer te woelig was om te varen, trok ik ’s middags het eiland rond en verzamelde links en rechts planten. Nu eens ging ik op de mooiste en meest afgelegen plekjes zitten om er naar hartenlust te dromen, dan weer op terrassen en heuvels, om mijn blik te laten gaan over het schitterende en betoverende panorama van het meer en zijn oevers, die aan de ene kant bekroond werden door nabijgelegen bergen en aan de andere kant overgingen in rijke en vruchtbare vlakten, vanwaar de blik reikte tot aan de verderop gelegen blauwachtige bergen.’
    
De donder schrikt mij op en in de verte, op het vasteland, zie ik zwarte wolken bijeengepakt. Snel terug, de lange rechte weg over die dwars over het eiland loopt. Links en rechts zijn kleine steigerpaadjes, de rietlanden in, met overal borden informatie over fauna en flora. De moderne mens dient alles te weten. Onderweg veel ouders met kinderen, die heen gaan, onverschrokken voor de regen, of zich juist zoals ik terughaasten. Met elke trap van de gehuurde fiets besef ik dat ik van hem wegga, terug naar de wereld die hem verstootte en met stenen bekogelde en waar hij nooit zijn plek heeft gevonden.
Tegen de fietsverhuurder maak ik een joviale opmerking over het onweer dat eraan komt, net iets te sociaal, goede vreemdeling spelend.
‘Ach wat onweer’, werpt de man mijn vriendelijk bedoelde woorden met een groot gebaar weer weg, ‘dat zijn maar wolken. Die komen, draaien hier wat boven het meer, en maken dan dat ze weg zijn’. Alsof ze het Petersinsel niet durven te beroeren, denk ik erbij.
‘Van alle plaatsen waar ik heb gewoond, heeft er niet één mij zo werkelijk gelukkig gemaakt en een zo zoet heimwee bij mij achtergelaten als het Petersinsel in het Bielermeer...’.

Michel Lafaille

De citaten komen uit de vertaling van Leo van Maris, Overpeinzingen van een eenzame wandelaar, uitgeverij Veen.

Toerisme www.tourismus-erlach.ch
Restaurant/hotel    www.st-petersinsel.ch
fietsverhuur ffaul@faulerlach.ch
Klik op de afbeeldingen voor een vergroting
   
© 2006-2012 Copyright Michel Lafaille - alle rechten voorbehouden