Een andere kijk op Normandië

Als de vlucht van een zilvermeeuw

Wie koestert niet de droom om een keer daarboven in de lucht te kunnen zijn. Om zoals de zilvermeeuw langs de kusten van Normandië te vliegen. Dan weer hoog op de wind zwevend, dan weer laag over het strand scherend. Om vanaf die hoge hoogte de wereld van de mensen te overzien en alles samen te kunnen bekijken om het misschien beter te begrijpen. Om een verband te zoeken tussen al die dingen, die ogenschijnlijk los van elkaar staan. Om wat nu verspreid ligt over het land, als losse relicten, ruïnes of relikwieën, aan elkaar te koppelen. Zodat die verwijzingen naar vroeger de geschiedenis van de mensen zouden gaan vormen.

Die gedachte schoot door mijn hoofd tijdens de terugreis, na een tocht door Normandië. Een reis langs die beroemde kust, met zijn bekende rotskliffen en toeristische havensteden. Dieppe, Le Havre, Honfleur, Cherbourg, Avranches. Ik had ze allemaal gezien en nu waren ze samengesmolten tot één grote herinnering vol van bijzondere details. De duiven in een bomenlaan, een boot in de haven, de straathoek bij een restaurant, een lachende Française. Het kruis op een kerkhof, een boom in het veld, een landhuis in de mist. Beelden als souvenirs. Maar ondanks alle emoties en belevingen kon ik ze niet verbinden met de werkelijke aard van de streek, of met het karakter van de mensen. Het was net of telkens als ik dicht bij het begrijpen kwam en de waarheid schijnbaar voor het oprapen lag, dat het beeld verwaaide en weer verdween.
Maar als ik daarboven in de lucht zou kunnen zijn, dan zou mij iets geopenbaard worden wat hier beneden, vanaf mijn menselijke hoogte, verborgen bleef. Wat dat zou moeten zijn, dat wist ik niet, maar dat een geheime betekenis zichtbaar zou worden, dat wist ik zeker. Als in een gedicht van Charles Baudelaire. Zo verheven wilde ik het, maar zo ervoer ik het niet, integendeel. Ik voelde me zoals zijn albatros, A peine les ont-ils déposés sur les planches / Que ces rois de l'azur, maladroits et honteux / Laissent piteusement leurs grandes ailes blanches / Comme des avirons traîer à côté d'eux.
Net zoals die majesteitelijke vogel, plomp en onbeholpen op het dek van een zeilschip, net zo voelde ik mij tegenover al dat moois en onvergetelijks dat ik deze afgelopen dagen had gezien.
Hoe komt het toch dat wij niet in staat zijn om tot de werkelijke betekenis van wat wij leren door te dringen? Om ze beter te begrijpen? Waarom zijn bijvoorbeeld hier in deze streek al die dingen gebeurd in het verleden, juist hier? Hebben zij iets met elkaar te maken? Ik krijg er geen vat op. Maar toch, ondanks het onvermogen van mijn geest om dat grote Normandische gevoel bij elkaar te krijgen, die alomvattende gedachte, heb ik de drang om er in elk geval meer van te maken dan slechts het toeristisch geneuzel dat in mijn hoofd is blijven hangen. Daar ben ik het in elk geval met mezelf over eens, zo pover mag het niet zijn, dan slechts enkele historische feiten die ik heb onthouden of dan wat foto’s van oude kloostermuren en pittoreske dorpspleintjes. Want al wat ik hier gezien heb, soms wel eens gevoeld heb ja, dat vermengt zich tot iets mythisch, tot een verheven verhaal met mooie woorden die mijn verbeelding overstijgen. Rotsen, stranden, schilders, landschappen, impressionisten; maar ook strijd, overleving, landing, wereldoorlog. Al die dingen, die nog steeds bestaan, lijken te verhalen over een onvoltooid verleden tijd. Lang geleden, maar nog niet voorbij.
Maar Normandië is niet alleen groots en mystiek, het is ook eenvoudig en aards. Normandië is ook dat beroemde licht van de schilders, dat men vanuit de wolken boven de zee naar benden moet zien vallen. Is ook de wind die langs de bloeiende meidoornhagen waait en de landelijkheid verheerlijkt. Normandië is ook de praktische schoonheid van de binnenhoven der boerderijen die in carrévorm rond de vroegere mesthopen gebouwd liggen. Het is die eenvoud der dingen, die er altijd al was, lang voor al die historische gebeurtenissen plaatsvonden. Het is die verbinding die ik maar niet tastbaar kan maken, terwijl die overal om me heen te proeven is. Als ik bijvoorbeeld aangenaam sta te kijken naar het riviertje La Seulles, vanop een bruggetje op de oude weg die naar het dorp Creully loopt, weet ik daarginds het Manoir de Creullet waar de generaals De Gaulle en Montgomery in 1944 confereerden. De mannen zijn dood, de gebouwen zijn gebleven. Ik weet dat als ik in Cabourg achter het hoge hotelraam sta te kijken naar de teruggetrokken zee, waar op het verlaten strand de gele boeien liggen te wachten op de vloed, dat op precies deze zelfde plek in het begin van de vorige eeuw Marcel Proust moet hebben gestaan, al die keren toen hij hier in Normandië op vakantie kwam. Zijn scherpe blik moet ook dit landschap hebben afgespeurd, op zoek naar details met betekenis. En vanaf deze stiekeme uitkijkpost moet ook hij de zilvermeeuw hebben zien voorbijvliegen en misschien ook hebben gedroomd om daarboven mee te reizen en te kijken, om onze wereld hier beneden beter te begrijpen.
Van daar boven zou ik kunnen lachen met de immens grote rotondes onderweg, les rond-points, waarop natuurgetrouwe miniatuurlandschapjes staan nagebouwd, met garnaalvissers te paard. Het zou fascinerend zijn rondom de Mont Saint-Michel te cirkelen. Om door het grote raam van het klooster te kunnen kijken op de omsloten binnentuin die eigenlijk geen binnentuin was, maar waar, als men naar de bovenkant van de vele steunpilaren kijkt in de versierde galerij waar de broeders brevierden, planten en bloemen in de steen staan gebeiteld. Ik zou dan kunnen wijzen op de blauwe irissen die langs de trappen bloeien.
Vandaar naar Granville, om te scheren tussen de hoge Pinusbomen in de tuin van Christian Dior, waar hij als kind heeft gewoond en waar enerzijds de woeste natuur van de rotsige kustlijn en anderzijds de mooie tuin van zijn moeder misschien wel de basis vormden van de geraffineerdheid in zijn ontwerpen.
Daarna zou ik laag over de oesterbanken scheren, kijkend naar de mannen in hun gele jekkers die, bovenop de tractor gezeten, onderweg zijn om hun manden te vullen met edele zeeschelpen.
Ginder op het noordelijkste puntje, in Omonville-la-Petite, nog voorbij de atoomcentrale van La Hague Jobourg, zou ik even willen rusten in de tuin van Jacques Prévert, die graag Parijs ontvluchtte. Een kort ogenblik maar, net zo lang als een van zijn chansons, alvorens ik weer opstijg en zijn graf bij de kerktoren kan overzien.
Verder vliegend  zou ik de schoolgroep meisjes zien die onbevangen in de zon zaten op het strand van Utah Beach in Sainte-Marie-du-Mont, hun blote voeten verstopt in het warme zand, een baguette in de hand als middagbrood. De zee lag er stil bij, de horizon maagdelijk en onberoerd, alsof de soldaten nog moesten komen en al die gruwelen nog niet hadden plaatsgevonden. Alsof die verlaten schuttersposten daarboven tussen de duinen nooit gebruikt waren geweest. Alsof al die souvenirwinkeltjes en musea in al die dorpjes slechts een façade waren van een slechte film die nagespeeld werd, maar niet van een slachting die echt heeft plaatsgevonden.
Liever zou ik naar de schilders kijken die hier en daar en overal langs de kust, vanwege het bijzondere licht, hebben staan werken. Om ze heen stonden de zomerse badgasten, die flanerende bourgeoisie, die zich graag vereenzelvigde met de romantiek van de kunstenaars. Met alleen al de schilders die hier geboren zijn, Monet, Millet, Dubuffet, Duchamp, Leger, Boudin, Poussin, zou men een museum kunnen vullen, laat staan met de grootheden die hier zijn komen werken zoals Pissarro, Turner, Sisley, Renoir, Gauguin. Net als mijn vriend de zilvermeeuw zou ik rond de schildersezels scheren om die grote mannen met hun zwarte hoeden te laten opschrikken met mijn geschreeuw. Ik zou door de smalle straatjes schieten en de mensen verrassen, de goedkope vakantiesnacks uit de handen van de toeristen pikken. Maar ik zou ze ook de bakker willen aanwijzen in het kleine dorp, waar het goed is even te stoppen om een brioche voor onderweg te kopen.
Dan, snel moe van dat geplaag, zou ik weer naar daarboven willen vliegen, rondkijkend en genietend. Ik zou daar beneden de stadjes als plattegronden zien liggen, die zich als spinnenwebben openen naar de zee. Ik zou de glinsterende kreken en schorren zien kronkelen door het landschap, waar krabbetjes proberen weg te kruipen voor mijn overvliegende schaduw. Ik zou overal langs de kustlijn de bunkers zien, die langzamerhand deel uitmaken van het landschap en nu zo onschuldig ervaren worden, zonder een dreiging van een allesverwoestende oorlog. De bruggen en sluizen, de indrukwekkende Pont de Normandie over de Seine gebogen ligt, de lichtende vuurtorens, de drukke havens. De Nez de Jobourg, de grootste klif van Europa of de Port Racine, de kleinste haven van Frankrijk;  de moerassen van Cotentin of de olifantenrots van Etretat en het huis van Arsène Lupin; maar ook de tuin van Le Bois des Moutiers van Gertrude Jekyll in Varengeville-sur-Mer, vlak bij Dieppe, met het pittoreske kerkje naast het graf van de schilder Georges Braque. Overal zou ik heen vliegen, rusteloos, om vanaf daarboven de kustlijn te overzien. Een lineaire lijn, die men als mens ook wel kan volgen, maar waarlangs men dan alleen geïsoleerde plekken kan bekijken en die men nooit in zijn geheel kan overschouwen, organiek. Het blijven slechts losstaande waarnemingen, fragmenten. Onderdelen van iets groter, waar men het bestaan niet van kent, maar wel van vermoedt. Een vermoeden van verhaal over deze streek waar de mens moest vechten tegen de elementen om te kunnen overleven. Waar hij de krachten uit de natuur, de zee, de wind en de seizoenen heeft kunnen omzetten in voedsel of schoonheid, in bezinning of recreatie. Al dat werk van ingenieurs en bouwers, van schilders en schrijvers, van boeren en buitenlui, onderzoekers en wetenschappers, priesters en denkers. Al dat werk tezamen, van zoveel mensen, van al die eeuwen lang, zou in dat ene verhaal te begrijpen zijn.

Of is het te verwaand om te denken dat onze geest dat alles zou kunnen omvatten? Moet het verhaal van Normandië misschien dat vermoeden blijven? Die hunkering naar begrip? Dichtbij en onbereikbaar tegelijk. Als een vlucht van de zilvermeeuw.

Michel Lafaille

Klik op de afbeeldingen voor een vergroting
   
© 2006-2011 Copyright Michel Lafaille - alle rechten voorbehouden