Over de tuin, de kunst en het eten

Het Vlaams gevoel van Cassel

Het is zaterdagochtend half negen en de regen is opgehouden. Ik heb de auto geparkeerd, luister naar Radio Uylenspiegel en eet vers gebakken croissants uit een papieren zak. Het stadje Cassel in de Franse Westhoek, gelegen in Frans Vlaanderen van Nord-Pas-de-Calais, lijkt nog te slapen. Ik sta tactisch opgesteld op de Grand Place, schuin voor een sierlijk Vlaams renaissancepand. Zestiende eeuw zal blijken. Sinds oktober 2010 is het Musée départemental de Flandre er gevestigd. Op dit uur oogt het nog anoniem, maar vooraleer straks om tien uur de deuren open zullen gaan, zal het getooid zijn met vlaggen en wimpels. Nu is alleen de patisserie open en af en toe komt er iemand naar buiten met net zo’n bakkerszak als ik heb. Verder is er nog niet veel beweging, alleen wat zwarte kouwen zoeken hun weg. Vanuit de auto hou ik in de gaten of er een café of restaurant opengaat, want een koffie na de rit vanuit Nederland heb ik wel verdiend. Ik wed op het Café Aux Trois Moulins, of Le Lion des Flandres, maar het wordt A Sainte Cecile.  Een café en tabakszaak zoals er duizenden zijn in Frankrijk. Het neonlicht brandt, de koffiemachine bromt en verschillende mensen komen binnen om lotjes te krassen in de hoop dat ze een prijs gewonnen hebben. Niemand heeft geluk vandaag, volgende week beter. De televisie speelt zonder geluid en de mensen begroeten elkaar luidruchtig, refereren naar een gebeurtenis uit het dagelijks leven. In de lucht hangt nog het geroezemoes van gisteravond, toen het hier waarschijnlijk vol zat. Ik denk terug aan daarnet, onderweg, toen de zon opkwam en de zwarte nacht oplichtte waardoor er in de contouren aan de horizon een middeleeuws landschap leek te verschijnen. Ik moest wel stoppen om foto’s te maken, bevangen door dat schouwspel.

Taal
Dat magisch moment was voor mij misschien wel de toegangspoort tot dit land, om er in een andere tijdsdimensie te stappen. Ogenschijnlijk is het hier een deel van Frankrijk, maar in hart en nieren is het Vlaams. Gebleven of opnieuw geworden, dat zal me niet duidelijk worden tijdens dit kort verblijf. Maar dan Vlaams in de zin van Groot Vlaanderen, een Vlaanderen dat ooit bestaan heeft, lang geleden, en waarvan de sporen overal in het landschap en in de cultuur nog terug te vinden zijn. Neen, het is niet alleen de taal, niet alleen de herkenning van woorden in een gesprek of op een menukaart in het restaurant. Natuurlijk is het prettig om in een ander land zijn eigen woorden te horen of een ‘Potje Vleesch’ te kunnen bestellen, ‘avec frietjes’, s’il vous plaît. Ook in straatnamen, in oude verhalen en volkse muziek. De mevrouw van het Office du Tourisme is de eerste die appelleert naar de trots op hun streek en het feit dat het Vlaams Museum een langgekoesterde wens was. Het zijn woorden die zich herhalen in de loop van de dag; als een patroon.

Vlaamse tuin
Ook Emmanuel de Quillacq spreekt met trots over het Vlaams gevoel en het blijft voor mij, ooit geboren in Vlaanderen, vreemd om dat in de Franse taal te horen. Hij is tuinontwerper en heeft een prachtige tuin in ‘Vlaamse stijl’, hetgeen mij onbekend was. Op het afgesproken uur, wat later die ochtend, als het opnieuw is beginnen regenen, meld ik me bij hem op een steenworp afstand van het stadje. De tuin die Quillacq heeft aangelegd, blijkt een hommage aan de Frans-Vlaamse manier van tuinieren. Men wandelt er door de jardin als door een huis: er zijn gangen en men komt steeds weer in een andere tuinkamer terecht. De ene is open en licht, de andere een beetje donker. De een met bloemen, de ander met groenblijvende struiken. De een romantisch en wild van beplanting, de ander strak met snoeivormen. Deze ‘Wouwenberghof of Ferme du Mont des Récollets’ die hij en zijn compaan Bruno Caron hebben aangelegd is een prachtige kroes van verschillende stijlen, die hij Vlaams noemt. Er zit wat Renaissance in met taxus en buxus, wat boerenelementen met potager en boomgaard, een waterpartij, bloemenborders. Maar het bijzonder prachtig geslaagde zijn de vensters, de openingen in struiken en hagen, die telkens een onverwachts uitzicht bieden op het glooiende landschap. De restauratie van de hofstede duurde vier jaar en won meteen een renovatieprijs. De tuinen kregen de Prix Jardin Remarquable en de Prix du Jardinier.
Emmanuel de Quillacq is een verteller en nodigt me uit om ook vanuit het huis te genieten van de zichtlijnen. Al snel haalt hij diverse kunstboeken tevoorschijn en verwijst naar Vlaamse schilderijen die model stonden en inspiratie gaven voor de tuinaanleg, zoals ‘Jagers in de sneeuw’ van Pieter Breugel de Oude. In het voorjaar en vroege zomer bloeien hier duizenden bloembollen in het gras. We praten lang over tuinkunst en concluderen dat hij eigenlijk een Europese tuin heeft, met veel verschillende invloeden: het formele van de Franse tuin, de romantische zwerftocht van de Engelse tuin, de carrévorm van de Vlaamse tuin met zijn lage hagen en boomgaard en de doorkijkjes op het landschap van de Italiaanse tuin, typisch met zijn muren van groen, gevormd door bomenrijen.

Estaminet
De tuin is open voor publiek. Men maakt een afspraak en haalt de sleutel op in het estaminet flamand traditionel  ‘Het Kasteelhof’, recht tegenover de Moulin de Cassel. Daar schuilt natuurlijk het gevaar, want een estaminet is een prachtig woord, sinds 1846 uit het Frans in onze taal opgenomen hetgeen volgens Van Dale betekent: ruimte waar men bijeenkomt, oorspronkelijk zaal met zuilen. Een café dus, hier een café-restaurant, waar de heerlijkste gerechten op de dagkaart staan geschreven en het moeilijk is om er niet van te willen genieten.
Of het nu Assiette aux fromages uit het Houtland is, een Andouilette à la sauce moutarde &  frites, pastei met rabarber of paté met gedroogde pruimen, de Vlaamse goesting in eten zit in de woorden verweven. Wat de digestief Fleur de Houblon betekent durf ik maar niet te vragen. Zwarte koffie na is prima. Het restaurant én de molen, staan op het hoogste puntje van de Kasselberg, op 176 meter, waardoor van een indrukwekkend uitzicht over het Vlaamse land kan genoten worden. Ik neem dan ook de tijd voor een goede maaltijd en tuur naar de glooiende akkerlanden in de verte, omzoomd met rijen populieren. Hier en daar staat nog wat koren maar de meeste akkers liggen er al omgeploegd bij. Verderop ligt de Wouwenberg (141 meter) en doet dat niet denken aan al die prachtige namen uit de wielerkoers? De naam Cassel komt van het Romeinse Castellum (burcht). Van hier vertrokken zeven heerwegen naar Arras, Doornik en Bonen. Daar beneden ziet men ze nog glinsteren in het land, nu geasfalteerd, maar nog steeds heersend over de streek. In de middeleeuwen was hier de hoofdplaats van een kasselrij (belangrijk gerechtelijk en bestuurlijk onderdeel) van het graafschap Vlaanderen. Dikwijls verwoest en geplunderd, tja, dat kon niet anders als je zo verheven en machtig in het landschap ligt te pronken.

Geschiedenis
Al die informatie over zulk een rijke geschiedenis is te vinden in het Musée de Flandre. Denk niet aan een saaie opsomming of aan grote panelen met lappen tekst zoals vroeger op schoolreis. Neen, men heeft die geschiedenis weten te vatten in een aantal kunstwerken en objecten die, zoals de Franse taal zo mooi kan uitdrukken, getuigen van de rijkdom van de Vlaamse cultuur. Aan de hand van vier thema’s probeert men de Vlaamse identiteit te vatten: Onderwerping en woede, Tussen hemel en aarde, Maten en mateloosheid, Show en spot. Ik ben diep onder de indruk van de smaakvolle en intelligente manier waarop hier de historie tot leven wordt geroepen. Met een anoniem  olieverfschilderij op hout uit 1484, La Vierge au donateur of met een werk van Jan Fabre uit 2006, L ‘annonciateur du froid. Met het Schijtmanneke in terre cuite polychrome van een anonieme beeldhouwer of met een olieverfdoek uit 1670 van Erasmus de Bie, getiteld Procession de chars sur la Place du Meir á Anvers. Maar er is ook David Teniers, Quinten Metsys, Nicolas de Bruyn, Pieter Breugel, Pieter van der Heyden of Jan Fyt en vele anderen.
Dan, als een rilling over het koude lijf, is er de openingstentoonstelling ‘Sensualiteit en wellust’ oftewel het vrouwelijk lichaam in de Vlaamse schilderkunst van de 16de  en 17de eeuw. Wat een durf, wat een zinderingen! Men heeft uit heel Europa naakte dames in olieverf bij elkaar gehaald om deze evocatie van vrouwelijk schoon te kunnen te etaleren. Ik zal geen namen geven, want de tentoonstelling zal al weer voorbij zijn, maar de oprechte hang naar schoonheid waarmee de expositie is samengesteld werpt wel een baken voor de manier waarop het museum te werk gaat en vormt als zodanig een ijkpunt voor de toekomstige tentoonstellingen. Meer! Wij willen meer! Het is zo jammer dat al deze tedere schilderingen van verleidingen en zinnelijk genot niet meer bekend zijn. Men zou er een troep hooligans stil mee krijgen.
 
Mijn tassen zijn gevuld met mooie catalogi, folders en notities. Het fototoestel zit vol beelden. Maar vooral het hoofd is overladen van grote indrukken en fantasieën. Nog nooit heb ik mij zo sterk over de geschiedenis een beeld gemaakt als naar aanleiding van dit bezoek. Dat grote Vlaanderen speelt door mijn gedachten, gevoed door de hang die deze Fransen hebben naar die streek die niet meer bestaat. Zijn ze daarom zo enthousiast, juist vanwege de onmogelijkheid van dat verlangen? Omdat ze beseffen dat het slechts een droom kan zijn? Geen Belgische Vlaming die zo verknocht is aan die authentieke cultuur als deze mensen. En dat niet alleen bij de ouderen, ik liet me vertellen dat veel jongeren Nederlandse les volgen en op diezelfde Radio Uylenspiegel van vanochtend hoorde ik na het programma Parade de l’accordeon, het tweetalige Ambiance du Westhoek, met Vlaamse liedjes.
De wereld is hier plots heel klein en vertrouwd geworden en het buitenland ver weg en vreemd. Maar wat is hier en wat is buitenland? Alleen maar een gevoel? Misschien zoals die mevrouw zei, terwijl ze groentes stond te snijden in de estaminet voor de stoofpot van vanavond, en mij antwoordde op de vraag of ze Vlaams sprak: ‘Kumde gij ut Holland? Joe, doa ben ich ouch geweest vroeër, mê te bus. Toen were er nog busse, noe est alles mê tvliegtug... en dan komme kik e nie mere...’
Ik hou van Vlaanderen.

Michel Lafaille

Practische info

  • Musée de Flandre op Grande Place te Cassel, er zijn wisselende tentoonstellingen naast de vaste collectie. Info: http://museedeflandre.cg59.fr/
  • Uitgekozen tot Tuin van het Jaar 2011 door Association des Journalistes du Jardin et de l'Horticulture:
    ‘Jardin Ferme du Mont des Récollets’
    1936 route de Steenwoorde
    59 670 CASSEL
    Tél: +33(0)328 40 59 29 / +33(0)6 07 84 77 50
    Reserveren: estaminetkasteelhof@orange.fr
Klik op de afbeeldingen voor een vergroting
   
© 2006-2012 Copyright Michel Lafaille - alle rechten voorbehouden