Over de regen, Bastogne en de berken

Direct na het ontbijt vertrekken we uit het hotel in La Roche. Het doel is toch Bastogne geworden. We zijn op weg naar de bevrijding van Bastogne. Dat was het enige wat we wisten van de stad. Bevrijd door de Amerikanen en daarmee uit de tweede wereldoorlog gehaald. Het regent nog steeds zachtjes door. Ik kan ’s nachts tijdens het slapen niet controleren wat er buiten gebeurt, maar waarschijnlijk regent het nu al 36 uren aan een stuk. Zacht maar statig. Als je de regen van deze dagen zou willen beschrijven, zou het zo klinken.
Ik moet zeggen dat dit aangename uren zijn. We moeten een eindje rijden en zitten zwijgend bij elkaar in de warmte van de auto. Onze zoon zit achterin te spelen op zijn zakcomputer, terwijl P. waakt over de route, ze kijkt afwisselend naar buiten en op de kaart. Volgens mij telt ze ook paaltjes langs de weg. Als een soort meditatieve concentratie.
Ik geniet van wat ik zie aan landschappen, maar verwens de donkerte van het slechte weer: geen foto’s. Af en toe stop ik toch even in een zijweggetje of op een korte parkeerstrook en probeer de sfeer die hier tussen de glooiingen van het land hangt te vangen in enkele beelden. Na een tijdje stop ik ermee, want ik voel mezelf steeds belachelijker worden. Ik bedenk dat ik me op enkele foto’s van de weg zelf moet concentreren. Daar kan een mooi thema inzitten. De weg die je moet gaan, een beetje zoals de Hobbits in het boek In de ban van de Ring van Tolkien. De queeste gesymboliseerd in de weg, maar dan echt concreet, het asfalt dat door het landschap snijdt. Als een symbool van wat? Ik weet het nog niet maar ben ondertussen gestopt voor een eerste foto van de weg waar we op rijden. Bezorgd vraagt P. of alles wel oké is? Ze is wel gewend dat ik onverwachts stop, maar meestal begin ik dan een kerk, een gebouw of een uitzicht te fotograferen. Nu dus de weg, de straat.
Aangezien ik nog niet kan antwoorden op het hoe of het waarom, beperk ik mijn antwoord tot een simpele bevestigende klank. Ik hoop dat ik het straks zelf zal begrijpen denk ik, terwijl ik de parkeerplaats van het Bastogne Historical Center oprijd en iets te hard aan de handrem trek. Het regent nog steeds.

Het Bastogne Historical Center is een merkwaardige plek. Vooreerst omdat het helemaal buiten de stad ligt. Ik weet niet zo goed waarom maar ik vind dat raar. Natuurlijk zullen er vele gedegen en geldige redenen voor zijn, maar je rijdt tenslotte als bezoeker helemaal naar Bastogne om vervolgens naar buiten gestuurd te worden. Alsof het Memorial letterlijk uit de tijd ligt, in een andere dimensie. Ten tweede is het meer dan een gewoon museum. Het is zowel een (uitgebreid) museum als een gedenkplaats, daar waar eens een zware tankoorlog is uitgevochten. Zeker nu achteraf, kan men zeggen dat het zo zinloos zwaar is geweest, umsonst, hadden de Duitsers toen beter moeten begrijpen. Dat is nou juist het onbeschrijfelijk tragische, het niet uit te leggen nutteloze van de dood van al die jonge mannen die nooit meer weer konden naar daar waar ze vandaan kwamen, naar datgene waar ze voor bestemd waren geweest. Want niemand, zeg ik hardop tegen mijn kleine zoon, niemand kan bij zijn geboorte voorbestemd zijn om ergens op een hem niet bekende plek, waar hij de taal nog niet eens verstaat, in de modder dood te gaan. En omdat het nog altijd regent, is alles nog duidelijker in zijn zware zwarte mistroostigheid.

Dit Memorial is het teken van de erkentelijkheid van het Belgische volk aan het Amerikaanse leger en aan zijn geallieerden voor hun bijdrage tot de bevrijding van Europa. Gebouwd in 1950, in stervorm met vijf vertakkingen en met een hoogte van 31 meter. De namen van 76.890 geallieerde soldaten, voornamelijk Amerikanen, gesneuveld, gekwetst of vermist tijdens de Slag van de Ardennen, staan gegrift in een bronzen plaat, in het midden van de crypte, versierd met drie mozaïeken (getekend Fernand Léger). Geen Duitse namen.
De cirkelvormige galerij met kolommen geeft aan het monument het uitzicht van een grote tempel met een hoogte van 12 meter met een centrale binnenkoer die een doorsnede heeft van wel 20 meter.
Iets verderop in een strak gebouw bekleed met leisteentjes is het museum, waar honderden uniformen en geweren, etensblikjes en brillenkokers, sigarettenpakjes en verbandtrommels uitgestald en tentoongesteld liggen of staan. Er is een zwart-wit film die alles nauwkeurig beschrijft en veel zwart-wit foto’s. Er is zo veel en het doet zo veel met je dat je niet weet wat je er mee aanmoet. Onze zoon wordt steeds stiller en is niet meer enthousiast over al die geweren en handgranaten. Hij merkt alleen nog op dat de Duitse granaten een stok hadden om mee te gooien en de Amerikaanse gewoon in de hand geklemd moesten worden. En dan wil hij weg. P. loopt met hem naar de auto, want hij wil echt weg. Ik kijk nog even in de souvenirwinkel, op zoek naar een boek waarin de slag rondom Bastogne beschreven staat, maar dat is niet te vinden. Veel petten en posters, veel namaakspullen en soldaatjes.
Het lijkt buiten nog donkerder geworden en het regent nog steeds. Bij het verlaten van de parkeerplaats sla ik rechtsaf, een klein weggetje in, richting weilanden en heuvelland. Nog mijn vrouw, nog mijn zoontje protesteren. Niemand wil wat eten of drinken, ze willen even alleen zijn met hun eigen gedachten. We laten de stad links liggen.

Op het heuvelland rond Bastogne ligt een nieuw bos. Het bos is nog jong en geeft aan de toevallige wandelaars de indruk dat men op een ‘nieuwe’ plaats arriveert, waardoor alles wat vreemd aanvoelt daar ter plekke. De opvallende vormgeving van de grote boomgroepen, de overdreven dichtheid van de beplanting, de bijzondere routing van de paden. Men wordt als het ware het bos ingezogen en is niet in staat zijn eigen weg te bepalen. Iemand wil iets met ons, alles verwijst naar een inhoud, er hangt een verhaal in de lucht. We stoppen en stappen uit. De regen is gestopt, maar de lucht is nog onheilspellend donker.
Waarom zijn hier, tien kilometer van de stad, de paden gemaaid en banken geplaatst? Wat is de betekenis vraagt men zich af. Er zijn geen verwijzingen of tekens te vinden dus onze tred wordt wat onzekerder, de vermoedens stapelen zich in ons hoofd op.
Tot plots de bomen wijken en eerbiedig plaats maken voor een grote open gazonweide bovenop een heuvel. Even merkwaardig als een mysterieuze graancirkel ligt een rond gladgeschoren grasperk stilzwijgend onder de wolkenhemel. Het is indrukwekkend mooi en leeg, maar zonder dat men weet wat zich hier afspeelt.
Middenin het gras staat een groep berkjes als reuzenkabouters bij elkaar. Hun puntmutsen wijzen naar boven. De kring rond de grasvlakte wordt omsloten door groepjes van telkens vier uitheemse bomen. Wel veertig soorten, sommige exotisch. De symboliek is te extreem voor een spielerei van de Landart, de allegorie is te zwaar voor een park, het zinnebeeld is te aards voor een religie. Dan brengt een klein bordje ons enige opheldering. De vier bomen verwijzen telkens naar een verwoeste stad in de tweede wereldoorlog. Waar nu het gras groeit, lag voor kort een militaire begraafplaats (wegens slechte ontwatering verplaatst), de witte berken verwijzen als pioniers naar de toekomst. We zijn in Le Bois de la Paix, The Wood of Peace. Een UNESCO monument.
In de stad, die hier nu ver vandaan lijkt, staat een aantal tanks als monumenten verspreid; in het Bastogne Historical Center konden we daarstraks de soldatenuniformen bekijken en op de kerkhoven staan de namen van de gevallen mannen. Hier staan drie hectare bomen gegroepeerd bij elkaar, om het nooit meer te laten plaatsvinden. En in het midden van de slagorde staan de berken.
Ik bedenk me dat de berk de heilige boom is van Freya, de gemalin van Odin. In de volksgebruiken werd de berk benut ter versiering van huizen op de 1ste mei, Pinksteren, en midzomer. Meibomen waren bij voorkeur berkenbomen. Volksoverleveringen vertellen dat heksen op bezems van berkentakken vlogen. Je hoort wel eens van oude boeren die zich herinneren zich dat de koeien na de winter, wanneer ze uit de stal in de weide werden gedreven, met berkentakken werden geslagen om daardoor de vruchtbaarheid te bevorderen. De wetenschappelijke naam Betula schijnt te maken te hebben met het Keltische woord ‘betu’ wat slaan betekent en betrekking heeft op het slaan met berkentakken op het lichaam om de bloedsomloop te stimuleren.
Nu slaan ze de woorden in mijn hoofd die berken: Nooit meer oorlog. Ik heb zelden een zo diep indrukwekkende plek betreden als deze. Een plek die boven haar eigen geschiedenis uitstijgt. Het is een oord welk plotseling is gaan praten in een taal die je verstaat en begrijpt.
Ik kijk naar de anderen die ook duidelijk onder de indruk zijn, ieder op een eigen manier. Zonder teken of afspraak lopen we gezamenlijk naar de auto. We hebben de boodschap ontvangen en hier rest ons niets meer te doen. We zullen weer afdalen naar de mensenwereld.

Naast me op de vensterbank staat een koperen pot die niet van koper is op een namaak kantwerkje van dikke witte synthetische stof, die erg slecht gegoten is. In de koperen pot zitten zijden bloemen netjes geschikt. Dat maakt die dingen juist zo vermoeiend. Als ze achteloos in de pot waren gestoken zou ik er niet op letten, maar juist doordat ogenschijnlijk een geheimzinnige vrouwenhand verantwoordelijk is voor de schikking, krijgt alles in dit interieur een charmante zwaarte en een onduidelijke belangrijkheid. Alles verwerft door deze mysterieuze maar onzichtbare tegenwoordigheid van een vrouw des huizes eenzelfde bekoring als het schilderij van het huilende zigeunerjongetje. Alleen zie je aan dat kleine meesterwerkje, als representant der hoogste en intiemste ontroering van de massacultuur, dat het tegenwoordig en masse geschilderd wordt in Vietnam en slecht verpakt met duizenden tegelijk in een roestig containerschip naar Europa komt.
Tot halverwege het raam hangt een vitrage met bladermotieven. Daarboven een groen plastic snoer met kerstlampjes die langzaam aan en uitspringen en tussendoor van kleur wisselen. De geplastificeerde prijslijst die met plakband vastzat is door de wasem op het raam losgeraakt en naar beneden gevallen. Hij ligt half opgerold en bol en vrij nutteloos achter het gordijn. De prijzen zijn nog in Belgische francs. Het bovenste deel van het raam is bespoten met sneeuwschuim, maar er is onmogelijk te herkennen welk motief hier uitgebeeld wordt. Ik luister achtereenvolgens naar een kerstliedje van Dave, van Charles Aznavour en van Charles Trenet.

Dan, na ongeveer een kwartuur begin ik de wereld rondom mij anders te zien. Ik besef dat ik teveel kijk alsof iets zijn doel al bereikt heeft, tot zijn uiteindelijke vorm is verwezenlijkt en voor altijd zo zal blijven. Neem bijvoorbeeld deze plek waar ik nu ben. Dit café waar ik zit, de straat waar ik in kijk, de huizen die ik zie aan de overkant. Ik ben door de verkeerde informatie teveel afgeleid. Het plastic en de namaak van alle dingen hebben mij op een vals spoor gezet en mij – in mijn intellectuele pretentie en mijn kortzichtige kijk – doen denken dat ik een classificatie aan alles mocht geven. Maar dat is helemaal niet zo. Er zijn plekken die gegroeid zijn in de tijd. Gegroeid uit de kronkels van de evolutie, uit de draaiingen van de voortgang, uit de opeenvolging van vergeten beslissingen. Het verloop der gebeurtenissen heeft die plaatsen – zoals deze waar ik nu ben – gemaakt tot wat ze nu zijn: een voorlopig moment.
Je kunt ze ook een rust ter plaatse noemen, omdat ze een rustende houding hebben in afwachting van dat wat nog komen zal.
Terug kan nooit meer, maar waar naartoe is nog aan niemand bekend. De tijd staat dus even stil: een moment van tegenwoordigheid. Zoals deze tijd tussen Kerstmis en oud en nieuw.

Zo ook hier, diep in de Ardennen. Op een kruispunt van oude wegen, waar de reiziger nietsvermoedend arriveert, onschuldig aan de geschiedenis, onbekend met de bewoners. Het zou een vluchtige plek hebben kunnen zijn voor de voorbijganger met zijn eigen doel (zoals de oorspronkelijke reizigers in het echte kerstverhaal), de toerist op zoek naar alleen maar hoogtepunten, de passagier van de beleving, de voyageur de culture. Ware er niet ‘Le Statu Quo’. Hier aan de overkant van de straat heeft het zich aan mij geopenbaard.
Ik zag plots dat het getuigt van een intelligentie gelijk aan die van een stedenbouwkundig hoogleraar om een café de naam ‘Le Statu Quo’ mee te geven. Wat een sublieme rust straalt er uit dit monument van onverzettelijkheid. Onverzettelijkheid tegen de wetten van de stadsopbouw, tegen de evolutie van de tijd, tegen de ontwikkeling in de evolutie van menselijke nederzettingen. Alle andere gebouwen in het dorp voegen zich naar de straten die omhoog of omlaag voeren, naar de volgende dorpen. Maar zo niet ‘Le Statu Quo’. Het gebouw staat hier als een rots van résistance, als een veilige tussenstop naar de hogere gedeelten van de Ardennen.
Nu is mijn fantasie helemaal geprikkeld en kan ik rustig verder gaan met het beschrijven van datgene wat deze plek eigenlijk inhoud. Ik noteer verder in mijn schriftje en ik weet zeker dat ik daarstraks de goede foto heb gemaakt die bij dit verhaal hoort.
De lichtroze kleur van de muren, vroeger slechts voorbehouden aan deftige buitenplaatsen, waardeert het gebouw op tot een baken van standvastigheid in de stroom van alle bewegingen. De vele ramen geven het een vriendelijk karakter, als een uitnodiging. Sterker nog, een invitatie om te verpozen. In ‘Le Statu Quo’. Want hier kan u niets gebeuren. Hierbinnen heeft de tijd geen invloed. Wie hier binnentreedt, vergeet de grauwheid van de sleur, de grijsheid van de lucht, de zwaarte van het leven van alledag.
Men wordt hier opgenomen in de coterie, in het besloten gezelschap van reisgenoten die op deze plaats ooit passeerden. Maar alles gebeurt met de lichtheid van het vanzelfsprekende, met de gevoeligheid van het natuurlijke. En later, pas veel later, zal men zich ‘Le Statu Quo’ weer herinneren en er naar terugverlangen. Niet omdat men deel uitmaakte van de lokale sfeer maar omdat men daar ter plaatse in het moment zelf was opgenomen. Zoiets gebeurt niet al te veel in het leven.

Michel Lafaille

Klik op de afbeeldingen voor een vergroting
   
© 2006-2011 Copyright Michel Lafaille - alle rechten voorbehouden