De huizen van Antwerpen

Terugkomen in je geboortestad levert doorgaans een ingewikkeldheid aan gevoelens op. Een complex vermogen van zintuiglijk bewustzijn. Allerlei herinneringen dringen zich uit het onbewuste naar boven. De kleur van de huizen, de lengte van de straten, de klanken van het dialect. Je hoort opnieuw een vriend iets roepen, je ziet wederom de oude tram, je herinnert je het jongetje dat je was. De spanning toen je voor het eerst alleen naar de bakker moest, de hitte die tijdens de zomervakantie boven de trottoirtegels hangt, het wachten op je kameraden om samen naar school te gaan. Die beelden en emoties verwarren zich op hun beurt met de redenen waarom je eens bent weggegaan. Je voelt je hier weer thuis maar wilt daar niet aan toegeven, want het ‘thuis’ heeft zich verplaatst. Blijft dit hier dan uiteindelijk toch je échte thuis? Dient men zich in de geboorteplaats eigenlijk thuis te voelen? Algauw komt het credo te voorschijn over de beroemde ‘wortels’. Men mag de stad of streek waar men vandaan komt nooit verloochenen, maar heeft dat feitelijk al gedaan door te vertrekken.

Bovenstaande tekst heb ik eens geschreven in herinnering aan Antwerpen, de stad waar ik geboren ben, stad aan de Schelde. Waarom is het toch dat steden die aan rivieren liggen en havens hebben altijd meer herinnerd worden door hun bewoners dan andere steden? Is het door hun uitersten? Grote rijkdom, rijke winkels, een uitgesproken nachtleven, buitenplaatsen rondom de oude stad die nu opgeslokt zijn door de stadsuitbreidingen. De Reeperbahn van Hamburg, de Rosse buurt van Amsterdam, de Brooklyn Bridge van New York, Le Pont Neuf van Parijs, The Docks van Londen, le Vieux-Port van Marseille of Barceloneta in Barcelona. Het zijn allemaal namen die je waar ook ter wereld kunt uitspreken en iedereen zal weten waar je over praat. Zo ook met Antwerpen, een stad rijk aan stadsbeelden
De aard van deze beelden is ook terug te vinden in de morfologie van de stad zelf, in de architectuur, de opengebleven ruimtes, de a-chronologische rangschikking van de gebouwen. De vorm en de leegte wisselen elkaar af, stoten elkaar aan, draaien om elkaar heen, maar heersen nooit in een harmonie en geven daardoor geen rust. Het lijkt alsof men permanent in een ‘Hollywood’ filmdecor rondwandelt. Dat gevoel wordt nog versterkt doordat veel huizen een parmantige voorkant hebben maar aan hun achterkant geen aandacht is besteed en bij afwezigheid van een aangrenzend gebouw de uitstraling van tijdelijkheid al helemaal om aandacht roept. Het geeft iets onwaarachtigs, het gevoel alsof het uiteindelijke stadium nog niet is bereikt: de straat is nog niet af. Dat is eigenlijk een kracht op zich, men vertoeft continue in een voortgang, in een voortdurende staat van verwezenlijking.
Daartussen echter liggen enkele huizen als bakens, als ankers van de tijd. Het zijn niet zomaar burgerhuizen; het zijn huizen van voorgangers, van beroemde stadsgenoten die in de loop der tijd veel hebben betekend en zeker ook veel voor de stad hebben teweeg gebracht. De schilder Rubens, burgemeester Rockox, de drukkers Plantijn en Moretus, om er enkele te noemen. Huizen die als monumenten op een of andere manier de tijd hebben getrotseerd, alle bezetters en oorlogen hebben weerstaan. Vanuit deze traditie zijn er vele andere huizen aan te duiden die een even zo grote invloed hebben tegenwoordig en als een waar patrimonium over de stad verspreid liggen: Het Elzenveld met de Botanische tuin, Kasteel Den Brandt en het Middelheim, het restaurant van het Rivierenhofpark, het Museum voor Schone Kunsten, de graansilo waarin het Museum voor hedendaagse Kunsten in is gevestigd en tientallen anderen.

Dit jaar is in Antwerpen het Vleeshuis museum heropend. Inderdaad het gebouw van de oude markt uit 1250 waar 52 slagers een kraam hadden om er hun vlees te verkopen. Dat zou op zich geen spectaculair nieuws zijn, maar de nieuwe aanpak van het museum is dat wel. Daar waar het tot dan toe een museum voor oude instrumenten was geweest – belangrijk voor de beperkte vakwereld maar niet bekend of geliefd bij het grotere publiek – opgeslagen in een oud gebouw met een gesloten uitstraling, is het nu een dynamisch concept geworden met de naam ‘De klank van de stad’. Dat is meer dan een naam, dat is een slogan, dat is een gebeurtenis. De Antwerpse zanger Wannes van de Velde zong in zijn bekende lied ‘Ik wil deze nacht in de straten verdwalen’ de zin „de klank van de stad maakt mijn ziel amoureus...”. Met andere woorden de stad heeft een klank en die klank doet iets, beïnvloedt, en bepaalt een sfeer. Met de klank wordt natuurlijk niet zozeer het geluid van de auto’s of de politiesirenes, de bouwwerken of de fabrieken bedoeld, maar verschillende muziekvormen. Muziek diende vele meesters. De tonen ervan waren te horen in kerken, in paleizen, op straat en achter de deuren van de woningen van de rijke burgerij. Muziek was zowel goddelijk als de oorzaak van verderf. De scharensliep, de fanfare, de optocht, de kermis, de straatmuzikant, de processie, de zondagsmis, de operette... Tot op vandaag heeft deze klank raakvlakken met kunst, religie en politiek. In de Klank van de Stad voeren verschillende thema’s de bezoeker mee langsheen al deze diverse klanken. De handcomputer bevat zelfs extra muziek. Ook kan men er het tentoonstellingsverhaal verder mee uitdiepen. Er is bijgevolg niet meer een droge opstelling te vinden maar een uitleg, een compositie om de werking van de muziek (indertijd) duidelijk te maken. Een heel nieuwe benadering voor een museale opstelling en daarom zeker nodig om te bezoeken. Deze benadering leert een nieuwe manier van kijken die op haar beurt weer allerlei nieuwe aspecten en invallen oplevert die voordien niet te bevatten waren. Zo is dan ook tijdens het werken aan deze nieuwe opzet, door het feit dat men anders naar het eigen materiaal ging kijken, een schat van nieuwe vondsten ontdekt in het eigen archief.

Maar even indrukwekkend is een bezoek aan Rubens oorspronkelijke huis. Alles geeft hier de indruk dat de meester eventjes weg is en zodadelijk weer terug zal zijn. Belangrijker nog dan al het historisch verantwoorde dat men er kan vinden, tot en met de tuin die in oorspronkelijke sfeer is teruggebracht, is de rust die men er kan ervaren, zo midden in de stad, alsof men eventjes een paar momenten uit de tijd stapt om terug te gaan... naar waar is niet juist te zeggen, maar in elk geval naar de elegantie en de hoffelijkheid die er eens moet geheerst hebben. Datzelfde zal gebeuren in de andere huizen van Antwerpen, rijk aan historie en bewust van een bijzonder verleden.

Michel Lafaille

Klik op de afbeeldingen voor een vergroting
   
© 2006-2011 Copyright Michel Lafaille - alle rechten voorbehouden